Een boek van het lichaam

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

 

‘Een boek van het lichaam’, een cyclus uit de bundel Nach den Diskotheken van Martina Hefter, werd in het voorjaar van 2014 vertaald door Charlotte D’Eer, Lisa De Pauw en Chiara Van Steenberge in een vertaalworkshop aan de UGent o.l.v. prof. dr. Benjamin Biebuyck en dr. Carolin Benzing, met dank aan Erik de Smedt.

Dit is een gelegenheidsuitgave van Zegwerk, Gent. Oplage: 50 genummerde exemplaren. Vormgeving: Danny Dobbelaere (Grafijn).

Prijs: 5 euro (te bestellen bij: grafijn@gmail.com)

 

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

New Zork (Daniel Falb)

New Zork is een uitgave van Zegwerk, Gent. Ton Naaijkens vertaalde ‘New Zork’, deel 1 van Bancor (kookbooks, Idstein 2009). De teksten zijn gezet uit de Neutral.

De vormgeving is van Danny Dobbelaere. Gedrukt in een oplage van 50 genummerde en 5 geletterde exemplaren. Het boek is geïllustreerd met drie foto’s van Heike Dobbelaere.

Prijs: 20 euro (verzending exclusief)

Te bestellen bij: Zegwerk vzw, Reigerstraat 3, 9000 Gent.

Mail: grafijn@gmail.com

Tel. +32 9 222 66 94

Daniel Falb & Martina Hefter in Poëziecentrum op 8/5/2014

Op 8 mei is er een poëzieavond naar aanleiding van nieuwe vertalingen van de poëzie van de hedendaagse Duitse dichters Martina Hefter en Daniel Falb, verzorgd door Erik De Smedt en Ton Naaijkens. Zowel de dichters als de vertalers zullen die avond van de partij zijn. De dichters zullen voorlezen uit eigen werk en daarna gaan ze in gesprek met hun vertalers.

De Duitse Martina Hefter (1965) volgde een opleiding hedendaagse dans en choreografie in München en Berlijn. Daarna studeerde ze aan het Deutsches Literaturinstitut in Leipzig, waar ze intussen gastdocente is. In 2010 maakte ze haar poëziedebuut met de bundel Nach den Diskotheken. Deze gedichten zijn proeven van ruimtelijk denken, die verwijzen naar denkbeelden van de danser Rudolf von Laban. Hefters tweede bundel Vom Gehen und Stehen verscheen in 2013. Hierin beschrijft ze met veel verbeelding min of meer dagelijkse bewegingen. Haar preoccupatie met dans en beweging is duidelijk terug te vinden in haar poëzie.

De dichter Daniel Falb (1977) studeerde fysica, politieke wetenschappen en filosofie. In 2003 debuteerde hij met die räumung dieser parks,gevolgd door BANCOR in 2009. In zijn poëzie komt zijn voorliefde voor het experimentele en het analytische naar boven. Ook schuilt er altijd een al dan niet impliciete politieke toon in zijn gedichten. Hij verklaart zelf dat hij niet zozeer bezig is met het esthetiseren van het politieke, maar veeleer met het werken met de esthetica van het politieke zelf. De taal van de moderne wereld klinkt ook sterk door in zijn poëzie.

Uitgeverij Zegwerk presenteert een gloednieuwe bibliofiele uitgave op 50 exemplaren met vertalingen van Daniel Falb.

 

De vertaler van Martina Hefter, Erik De Smedt (1953), schrijft over literatuur en beeldende kunst. Hij vertaalde toneel van Heiner Müller, proza van Konrad Bayer en voor http://www.maximen.nl aforismen van onder anderen Jean Paul, Karl Kraus en Heimito von Doderer. Bij Zegwerk verschenen zijn poëzievertalingen van Robert Schaus, Brigitte Oleschinski, Gerhard Rühm en Ann Cotten.

Ton Naaijkens (1953) is hoogleraar Duitse Letterkunde en Vertaalwetenschap aan de universiteit van Utrecht. Ook is hij redacteur van het tijdschrift voor wereldliteratuur Armada en het vertaaltijdschrift Filter. Hij concentreert zich op vertalingen van Duitstalige poëzie naar het Nederlands. In het bijzonder richt hij zich op vertalingen van de poëzie van Paul Celan en Robert Musil.

 

Praktisch

Donderdag 8 mei,  20 uur

Poëziecentrum, Het Toreken, Vrijdagmarkt 36, 9000 Gent

reservatie: events@poeziecentrum.be

Monomeer in Leeswolf

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

 

In het oktobernummer van Leeswolf verscheen een recensie (van Erwin Jans) over Monomeer.

Hierbij de integrale tekst.

Monomeer is de debuutbundel van Daniel Dobbelaere. De gedichten zijn over een grote tijdspanne is geschreven. Sommige dateren volgens de schrijver al van midden de jaren negentig. Toch gaat het om een coherente en gedisciplineerde bundel. De ‘mono’ uit de titel verwijst daar wellicht naar. Maar er is ook ‘meer’. Die spanning tussen  een poging tot overzicht en het pijnlijk-ironische besef van iets dat die orde voortdurend overspoelt is overal in de gedichten van Dobbelaere aanwezig. “Een normaal mens wordt langzaam verpletterd door de wan-hoop, de meedogenloze absurditeit van dit leven. Maar sinds Camus zegt die mens ja tegen het leven. We moeten ons niet laten doodkittelen. Een gedicht is steeds een statement, een verzet-je”, zegt hij in een interview. De dubbele bodem van het laatste woord is typisch voor Dobbelaere’s existentiële houding als schrijver: “zelfafhandeling/ van weemoed/ en opbouw”, heet het in de bundel.

De bundel is opgebouwd uit zeven afdelingen: ikgedichten, landgedichten, abstractgedichten, regelgedichten, kortgedichten, gezingedichten, jijgedichten. Het is een opvallende mengeling van bepalingen: de heel erg concrete ‘ik’,’ jij’, ‘gezin en ‘land’, daartegenover ‘abstract’ en tenslotte twee formele kenmerken (‘kort’ en ‘regel’). Monomeer is een speelse mengeling  van die drie ingrediënten: anekdotiek, filosofie en vorm. Dit is een van zijn ‘regelgedichten’: “in het midden van de rand het nutteloze”. Het lijken fragmenten te zijn uit een verloren gegane wijsheid die ons uit een ver verleden komt toegewaaid. Brokstukken van gedachten die ooit wellicht een geheel hebben gevormd en die ons nu precies in hun mysterieuze en onduidbare gebrokenheid fascineren: “een spiritueel contour razend gelijk aan het zijn” is een ander ‘regelgedicht’. Geen toeval dat Daniel Dobbelaere ook aanwezig is op Maximen.nl met onder andere volgende maxime: “Veel is het volle niet waard.” Opnieuw het ambigue gevecht met het  geheel en de ontgoocheling dat het niet de moeite waard is. Toch zijn er momenten van een bijna hegeliaanse dialectiek tussen het ganse en het deel: “het geheel rust uit in zijn voorval”. Maar dat soort harmonie houdt geen stand tegen de eindigheid die zich in al zijn fysieke concreetheid opdringt: “het lichaam is hoekig/ verplaatsbaar of nis/ van zenuwpijn”.

Het woordspel, dat al in de titel begint, is overvloedig aanwezig in de eigenzinnig ‘verschuivingen’ in  uitdrukkingen en woorden. Een voorbeeld van de eerste verschuiving is de openingsregel van de bundel: ‘ik sta in het stro bij god alleen’ (i.p.v. in het krijt). Een voorbeeld van de tweede verschuiving zijn de woorden ‘uurvast’ en ‘tederzetting’. Andere mooie neologismen zijn ‘buitenweemoed’, ‘leegtestreken’ en ‘treurkolom’. Woorden waaruit een grote melancholie spreekt. Waartoe dient het woordspel, de humor, de ironie in deze bundel? Vult het spel de tijd of daagt het die uit? Is het ‘glazuur op niets’ om een omschrijving van Willy Roggeman te gebruiken, die net als Faverey en Kouwenaar, indirect aanwezig is in de harde onsentimentele gebaldheid van de afdeling ‘kortgedichten’:

van het hebben moet

je het houden d.w.z.

enigszins overhouden

wat zich tracht te benutten

zo raakt in ’t bijzijn het

dunne bewustzijn het hare

geest in geest te begieten

op de overstap van uitheid

Dit is geen poëzie die zich bij een eerste lectuur geeft. Toch zijn er ook veel herkenbare emoties en verlangens aanwezig in deze gedichten: “ik wou dat ik liefde was en geruststelling/ dan was ik gaaf van wil & berusting”. In het erg sterke laatste gedicht van de bundel komen alle tegenstrijdige posities samen: het verlangen naar goddelijke almacht en het gebrekkige lichaam; de krioelende veelheid en het besef van verlies; woorden die zich schikken naar de maat van de gedachte en de verwulpsing. Vertelt het gedicht het proces van een radicale ontnuchtering, van een afbouw van alle illusies tot een nieuw begin van perceptie? En wat zien we dan? Wat we lezen is in elk geval intrigerende poëzie:

je bent een echte god

een schil van woorden

op maat van de gedachte

je hebt voeling met velen

door druk op  knop en taal

je voortouw is teken & lichaam

broedtegoed van passie

je krioelt van dingen:

overschakeling

wasdom

hekel

verwulpsing van verdinging

is gat in je bezwaar

je bent een kooi van verlies

in het bij-de-voet-zijn

je begin is perceptie

lichaam zonder glans

Erwin Jans